Division restitution
Start Omhoog Division restitution Via chemische behandeling Bepalen ploidie graad

 

Ongereduceerde gameten

Animatie van de meiose (vorming van gameten ofwel geslachtscellen)

Links: de vorming van eicellen

        Rechts: de vorming van stuifmeelkorrels

 

 

Tijdens de meiose  vinden twee delingen plaats, waarvan de eerste een reductiedeling is (halvering). Hierdoor ontstaan  uit een normale diploide cel 4 haploide cellen (cel met 1 set chromosomen, ook wel 1 genoom genoemd). Bij de vorming van eicellen vormt een van deze vier cellen de kern van de eicel, bij stuifmeelkorrels worden er uit 1 cel 4 afzonderlijke geslachtscellen gevormd.

Indien een van de twee delingen achterwege blijft dan praten we over 'division restitution'. Het maakt nog verschil of het de eerste -reductie- deling ('first division restitution') is of de tweede deling ('second division restitution'). In beide gevallen wordt er echter een gameet (geslachtscel) geproduceerd met het totale erfelijke materiaal van de ouderplant (ongereduceerde gameet). Op deze manier is in het wild zeer waarschijnlijk polyploidie ontstaan. Indien van een diploide species zowel een ongereduceerde eicel als een ongereduceerde zaadcel samensmelten tot een embryo, dan zal dit embryo tetraploid zijn.

Het vormen van ongereduceerde gameten blijkt het meest voor te komen bij polyploide planten en in zekere mate erfelijk bepaald te zijn. De frequentie kan ook toenemen als de vorming van geslachtscellen plaats vindt bij hoge temperaturen. Stuifmeel is onder de microscoop te beoordelen op het voorkomen van ongereduceerde gameten. Deze zijn een stuk groter dan normale gameten.

 

Voorbeelden van ongereduceerde gameten zijn er in de volgende kruisingen:

 

                         

F. magdalenae (44x, MMMM) x F. fulgens grandiflora (22x, FF)

                                             (44x van F. magdalenae, 11x van F. fulgens grfl)

                                   B83-8 (55x, MMMMF) x F. fulgens grandiflora (22x, FF)

                                                            (22x van B83-8 [11x F. magd. + 11x F. f. grfl], 11x van F. f. grfl)  

                  F. fulgens michoacan  (22x, FF)  x  WALZ Orgelpijp (33x, MFF) x F. inflata (22x, II)

(+ 11x van F. fulgens mich.)          33x van WALZ Orgelpijp                (+ 11x van F. inflata)

                                Herps Arco (44x, MFFF)                       Dutch Kingsize (44x, MFFI)

 

                         

 

F. magdalenae (44x, MMMM) x F. apetala (44x, AAAA)

                                             (44x van F. magdalenae, 22x van F. apetala)

                           B00-369 (66x, MMMMAA) x F. juntasensis (44x, JJJJ)

   ( 33x van B00369, 22x van F. juntasensis)           (66x van B00-369 , 22x van F. juntasensis)

                                   B03-72 (55x, MMAJJ)    B03-59 (88x, MMMMAAJJ)

 

                         

 

B00-369, B03-59 en B03-72 zijn  niet gekeurd. Dit is tussenmateriaal, wat voor verdere veredeling wordt gebruikt. Omdat deze zaailingen het effect van een hogere ploidiegraad op het uiterlijk van de plant goed demonstreren, staan hieronder foto's van deze zaailingen. Van B00-369 zijn ook tetraploide zusterzaailingen aanwezig geweest. De bloemen ervan waren wat kleiner en een stuk dunner dan B00-369. De moeilijke kweekeigenschappen van F. apetala waren hier duidelijk aanwezig (bij een beetje regenbui gingen de wortels rotten). B00-369 is makkelijker te kweken. De octaploide B03-59 heeft dikker en steviger blad, en een dikkere en minder lange buis dan de pentaploide B03-72. De hoge ploidiegraad (88x) heeft dus niet voor een langere buis gezorgd. Vaak wordt bij ploidie een bepaald optimum bereikt, en heeft verder verhogen van de ploidiegraad een averechts effect op het gewenste fenotype. De kans op een probleemloze meiose is echter bij de octaploide B03-59 veel groter dan bij de pentaploide B03-72. Immers B03-59 heeft van elk verschillend type genoom een even aantal, waardoor halvering in de meiose geen problemen geeft. Bij B03-72 is het A-genoom (van F. apetala) eenmalig aanwezig, en kan derhalve de meiose verstoren.

 

Links: B00-369 (66x)    Midden: B03-72 (55x)     Rechts: B03-59 (88x)

Zie voor zaailing B00-369 ook het project met gele kroon.

Overigens zijn alle 3 deze zaailingen ook kandidaten voor het project knolvormers en lange buizen.